06 12 92 86 37 hamming@juistjust.nl

Opheffing bij gebrek aan belang

Opheffing op vordering van eigenaar dienend erf als uitoefening onmogelijk is geworden of indien er bij de uitoefening door het heersend erf geen redelijk belang meer is (en niet zal terugkomen).

Artikel 5:79 BW biedt de rechter de mogelijkheid op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid op te heffen, indien de uitoefening daarvan onmogelijk is geworden of indien de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening.

In dat laatste geval moet het niet aannemelijk zijn dat de mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal terugkeren.

Volgens vaste jurisprudentie spelen de belangen van de eigenaar van het dienende erf bij deze vordering geen rol.

Denk bij de onmogelijkheid bijvoorbeeld aan een erfdienstbaarheid van weg die over het perceel van het dienend erf liep naar een stukje openbare weg, terwijl die openbare weg door de gemeente aan de openbaarheid onttrokken en feitelijk afgesloten is, waarna er een gebouw of ander obstakel op is geplaatst, dat de feitelijke toegang blokkeert.

Er is dan geen reden meer om gebruik te maken van het dienend erf, omdat dat tracé nergens toe leidt. De uitoefening is dan feitelijk door externe omstandigheden onmogelijk geworden.

Bij geen redelijk belang kunt u denken aan de eigenaar van een erfdienstbaarheid van weg die zelf een alternatief tracé gecreëerd heeft, waardoor er feitelijk geen redelijk belang meer bestaat bij het tracé over het dienende erf.

Ook al heeft de eigenaar van het heersend erf nog enig belang, dan nog kan de rechter de erfdienstbaarheid opheffen, indien dat belang niet redelijk genoeg is.

 

Volgens de rechtbank Leeuwarden van 06-01-2010 was de wens van de eigenaren van het heersend erf, die naast de oorspronkelijke dam van de eigenaar van het dienend erf een eigen dam met toegangshek hadden aangelegd om die erfdienstbaarheid te handhaven, echter niet redelijk.

6.3. De rechtbank stelt voorop dat [gedaagden] c.s. – anders dan ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid – thans een eigen uitweg hebben naar de openbare weg via de door hen aangelegde dam. Deze uitweg is dusdanig breed, dat alle verkeer vanaf het perceel van [gedaagden] c.s. naar de openbare weg in beginsel via deze uitweg kan plaatsvinden, of het nu autoverkeer, fiets-/scooterverkeer, voetgangersverkeer of het vervoer van vuilcontainers betreft. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een redelijk alternatief voor het heersende erf voor de erfdienstbaarheid. Het gebruik van de uitweg wordt evenwel belemmerd doordat [gedaagden] c.s. ter afscheiding van hun perceel een hek bij of op de dam hebben geplaatst, dat geen aparte toegang voor ander verkeer dan autoverkeer heeft en dat niet handmatig te openen is. De rechtbank kan zich in deze situatie voorstellen dat [gedaagden] c.s. belang houden bij verdere uitoefening van de erfdienstbaarheid ten behoeve van ander verkeer dan autoverkeer. Dit belang kan echter niet als een “redelijk belang” worden beschouwd. Met [eisers] c.s. is de rechtbank van oordeel dat de keuze voor afsluiting van de uitweg en voor een hek als het onderhavige redelijkerwijs voor rekening van [gedaagden] c.s. dient te komen en niet aan [eisers] c.s. kan worden tegengeworpen. Indien [gedaagden] c.s. geen hek hadden geplaatst, althans een hek voorzien van een aparte voetgangers-/fietsersingang hadden geplaatst, had alle verkeer van en naar de openbare weg via de dam van [gedaagden] c.s. kunnen plaatsvinden.

Verder is het goed om te weten dat de rechter alle vorderingen zoals hiervoor bedoeld ex artikel 5:81 BW kan toewijzen onder door hem te stellen voorwaarden. Dat kunnen ook financiële voorwaarden zijn, zie rechtbank Leeuwarden van 06-01-2010.

 

Benieuwd wat ik voor u kan doen?