fbpx
06 12 92 86 37 hamming@juistjust.nl

Nu volgens de klimaatgoeroes het telkens vaker en heftiger zal gaan regenen en ook gemeentes steeds vaker eisen dat ontvangen regenwater niet direct op het riool wordt geloosd, maar eerst via het eigen perceel moet kunnen bezinken, lijkt  het aantal zaken, waarin er overlast wordt veroorzaakt doordat er van buurman’s perceel water op het eigen perceel stroomt, toe te nemen.

Maar mag de buurman dat zomaar laten gebeuren? Of kunt u van hem maatregelen eisen zodat dit niet langer gebeurt. En kan de buurman tegen u maatregelen nemen, indien u uw perceel zodanig wijzigt, dat het water van de buurman niet langer via uw perceel kan afstromen? De wet kent een aantal specifieke regels hiervoor.

Afwateren door natuurlijk hoger gelegen percelen in principe toegestaan

Buurman mag zijn hemelwater via uw perceel laten afstromen als zijn perceel natuurlijk hoger gelegen is dan uw perceel. De wet bepaalt in artikel 5:38 BW dat natuurlijk lager gelegen percelen afstromend hemelwater van natuurlijk hoger gelegen percelen moeten ontvangen. De crux zit hem in ‘natuurlijk hoger en/of lager gelegen’. Hoewel Nederland uiteraard ook heuvelachtige gebieden kent is het overgrote gedeelte van ons land redelijk plat en is er vaak geen sprake van natuurlijk hoger of lager gelegen percelen, maar van kunstmatig verhoogde percelen.

Als die kunstmatige verhoging al heel lang gelegen is gebeurd, is natuurlijk niet meer precies te onderscheiden hoe dat vroeger ooit zat. Rechters lijken dit dan als een natuurlijke verhoging aan te merken. Dat wordt uiteraard anders als in een afwateringssituatie verandering is aangebracht, doordat een buurperceel kunstmatig is verhoogd. Dan is afwateren op het lager gelegen perceel niet toegestaan. Echter, als er wel sprake is van een natuurlijke afloop, mag de buurman van het lager gelegen perceel dat niet zomaar blokkeren, zo blijkt uit een arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 7 mei 2013 ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9810 in kort geding gewezen.

Grens ligt bij onrechtmatige overlast

In de reeds genoemde uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden van 7 mei 2013 ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9810 schetste het hof de rechten en plichten van partijen nog eens kort, door te overwegen:

‘In dit burengeschil dient als uitgangspunt te gelden het bepaalde in artikel 5.38 BW, inhoudende dat lagere erven het water moeten ontvangen dat van hoger gelegen erven van nature afloopt. Dat het perceel van [klager] hoger ligt, en van oudsher al lag, dan het perceel van [buurman] is door deze niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken.

Artikel 5.38 BW houdt een gebod in aan de eigenaar van het lager gelegen erf en deze mag dan ook geen handelingen verrichten die in strijd zijn met dat gebod, zoals het opwerpen van een dam of een dijk.

De in art. 5.38 BW neergelegde regel kan echter haar beperking vinden in het bij artikel 5.39 BW gegeven verbod om op onrechtmatige wijze hinder toe te brengen aan een naburig erf, door wijziging te brengen in de loop, hoeveelheid of hoedanigheid van het water. Duidelijkheidshalve merkt het hof in dit verband op dat van de zijde van [buurman] geen vordering op grond van onrechtmatige hinder is ingesteld tegen [klager]’

Dat de buurman in andere gevallen dan bij natuurlijke hoogteverschillen zijn eigen hemelwater, behoudens gevestigde of door verjaring ontstane erfdienstbaarheden, moet verwerken, is sinds 1 januari 1992 geregeld in een aantal artikelen in het BW.

Artikel 5:53 BW houdt in:

‘Een eigenaar is verplicht er voor te zorgen dat geen water of vuilnis van zijn erf in de goot van een anders erf komt.’

Artikel 5:52 BW bepaalt:

Een eigenaar is verplicht de afdekking van zijn gebouwen en werken zodanig in te richten, dat daarvan het water niet op eens anders erf afloopt.

Afwatering op de openbare weg is geoorloofd, indien zij niet bij de wet of verordening verboden is.

Als de buurman echter stelt dat er sprake is van een natuurlijk hoger gelegen perceel, zodat u de watertoevloed van zijn perceel moet tolereren, dan is het raadzaam te kijken of de overlast die daardoor ‘op natuurlijke wijze’ veroorzaakt wordt, in de loop van de tijd erger geworden is. Wellicht dat u zich, ondanks artikel 5:38 BW, dan toch kunt beroepen op artikel 5:37 BW, dat luidt:

‘De eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun’

Is de overlast namelijk erger geworden, doordat de buurman bijgebouwd heeft en zijn hemelwaterafvoer zodanig heeft ingericht dat het water allemaal door het naastgelegen perceel verwerkt wordt, dan kan dit, ondanks dat zijn perceel wellicht natuurlijk hoger gelegen was, toch onrechtmatig zijn. Dat kan ook het geval zijn, als er sprake is van het aanbrengen van een zogenaamd werk.

Erfverharding kan een werk zijn in de zin van artikel 5:52 BW

Dat een erfverharding, waardoor het water niet meer wegloopt, een werk in de zin van artikel 5:52 BW kan zijn, is ook al eens uitgemaakt door een uitspraak van het gerechtshof Den Haag 12 mei 2015 ECLI:NL:GHDHA:2015:1369, waar het hof op het verweer van de buurman, dar artikel 5:52 BW alleen maar van toepassing was op situaties, waar water van daken afstroomde, oordeelde:

‘Artikel 5:52 BW spreekt van “de afdekking van (…) gebouwen of werken”, maar niet valt in te zien waarom het niet ook toepasselijk zou zijn in het (weliswaar atypische) geval dat de afdekking waarop het regenwater valt, meteen het gehele werk is.’

Het hof wees een algeheel verbod tot het laten afstromen van hemelwater naar het buurperceel als zijnde te algemeen geformuleerd af en sprak de volgende beslissing uit:

veroordeelt [buurman] om binnen vier weken na betekening van dit arrest de betonnen vloer, aanwezig tegen de gehele lengte van de achtergevel van de bebouwing op het erf van [klager], te verwijderen en verwijderd te houden dan wel andere maatregelen te treffen die ertoe leiden dat geen water van die vloer op het erf van [klager] afloopt;

veroordeelt [buurman] om binnen vier weken na betekening van dit arrest de door of vanwege haar tegen de noordelijke gevel van de garage van [klager] geplaatste betonnen muur alsmede de fundering waarop deze rust, te verwijderen en verwijderd te houden;

Echter, er moet dan wel sprake zijn van een overlast die zodanig ernstig is dat het onrechtmatig is. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wees in de uitspraak van 10 maart 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:2151

De buurman had een regenpijp van zijn garage tot 30-35 cm diep ingegraven, terwijl die regenpijp niet aangesloten was op het riool. Dit was op circa 40 cm van de grens het met perceel van het naastgelegen perceel, waarover een onverhard pad heen liep. De foto hiernaast komt uit het hiervoor genoemde arrest.

Het hof oordeelde dat het feit dat de regenpijp tot 30/35 cm diep ingegraven was inderdaad conform het verweer van de eigenaar van de schuur betekende dat artikel 5:52 lid 1 BW niet van toepassing was, omdat het water niet ‘op’ het perceel van de buurman werd geloosd. Vervolgens werd de vraag beantwoord of als er op deze wijze enig water op het perceel van de buurman kwam (via ondergrondse stroming) dit onrechtmatig zou zijn. Het hof achtte, indien er al enige overlast werd veroorzaakt, deze zo gering dat er geen sprake was van onrechtmatige overlast.

Conclusie

Kortom, hoofdregel is dat een buurman het hemelwater op zijn eigen perceel moet verwerken en dat in principe niet via het naastgelegen perceel (behoudens een openbaar perceel, zie artikel 5:52 lid 2 BW) mag laten afvloeien. Echter, water dat ondergronds daarheen loopt, is toegestaan.