06 12 92 86 37 hamming@juistjust.nl

Mag de rechthebbende op het recht van overpad zijn auto ook parkeren op het tracé van het recht?

Nee, het recht van overpad is een zakelijk recht (erfdienstbaarheid) dat inbreuk maakt op het recht van de perceeleigenaar. De perceelseigenaar moet weliswaar het recht van overpad van de buurman respecteren -dat wil zeggen het komen en gaan over zijn perceel-, maar hij hoeft niet te tolereren dat zijn perceel door de buurman voor parkeren gebruikt wordt. Tenminste,  tenzij dat parkeerrecht uiteraard onderdeel is van het recht van overpad. Voor een uitspraak over zo’n parkeerrecht, zie het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2009. Het enkele feit dat de perceelseigenaar jarenlang niet tegen het parkeren door de buurman geprotesteerd heeft, betekent echter nog niet het recht van parkeren tot onderdeel van het recht van overpad is geworden op grond van artikel 5:73 lid 1 BW, volgens een uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 oktober 2007. De rechtbank overwoog daar:

Slechts in geval van twijfel over de inhoud van de erfdienstbaarheid en bij te goeder trouw handelen kan een jarenlang zonder tegenspraak verrichte handelwijze beslissend zijn. Zoals uit het onder 4.3. overwogene volgt, biedt de vestigingsakte zelf geen ruimte voor twijfel over de betekenis van het woord “garage”. […] Over het parkeren staat in de vestigingsakte met zoveel woorden dat dit verboden is.

Indien de buurman toch op het perceel parkeert, kan de perceelseigenaar een verbod bij de rechter op straffe van een dwangsom vragen. Indien bezoekers van de buurman dit doen, kan van de buurman wel verlangd worden dat hij deze instrueert om daar niet meer te parkeren, maar kan hem bij overtreding van het parkeerverbod door bezoekers die niet tot zijn gezin behoren, geen dwangsom worden opgelegd, aldus een uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Gravenhage van 16 oktober 2012.

Stelselmatig parkeren op een tracé door de buurman zonder daartoe gerechtigd te zijn escaleert vaak tot een burengeschil, dat niet altijd even vriendelijk afloopt. Het is meestal niet zo goed geregeld als in een parkeergarage met parkeervlakken.

 

Uiteraard is het altijd beter even te communiceren met elkaar als er ergens tijdelijk geparkeerd moet worden. Het is meestal het gebrek aan communicatie dat als het grootste probleem wordt ervaren, niet het parkeren zelf.

 

Mag de perceelseigenaar parkeren op het tracé van overpad?

In principe is hij eigenaar van zijn eigen perceel en mag dus in beginsel alles doen en laten wat hij wil. Echter, bij een erfdienstbaarheid die de buurman het recht geeft om over het perceel te komen en te gaan, mag de perceelseigenaar dit recht uiteraard niet frustreren.

Of hij kan en mag parkeren hangt dus af van de feitelijke omstandigheden ter plekke. Houdt de buurman voldoende ruimte over om te komen en te gaan via het tracé? Zo ja, dan mag de perceelseigenaar sowieso wel parkeren, het is tenslotte zijn eigen erf. Zo nee, dan kan dat parkeren alleen voor korte tijd, of onder bepaalde omstandigheden, waarbij de buurman niet feitelijk verhinderd mag worden zijn recht van overpad uit te oefenen.

Wordt die toegang toch verhinderd, dan kan de buurman tegen de perceelseigenaar een verbodsactie op straffe van verbeurte van een dwangsom vragen. Wat zeker niet mag, is dat de perceelseigenaar zomaar op een deel van het tracé van de erfdienstbaarheid een garage bouwt, ook al blijft er dan nog voldoende ruimte over voor de buurman om van het tracé gebruik te maken. Zoals de rechtbank Limburg in een uitspraak van 26 juli 2017 over een parkeergeschil oordeelde:

Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat hij op grond van artikel 5:74 BW het recht heeft om zijn garage (gedeeltelijk) op het voor de erfdienstbaarheid bestemde gedeelte van zijn perceel te bouwen, omdat er desondanks nog genoeg ruimte overblijft omde erfdienstbaarheid te kunnen uitoefenen, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 5:74 BW bepaalt dat de erfdienstbaarheid, waarvan de inhoud en omvang conform artikel 5:73 BW is vastgesteld, op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze dient te worden gebruikt. Het voorgaande brengt echter niet mee dat een gedeelte van het perceel dat op grond van artikel 5:73 BW beschikbaar is voor de erfdienstbaarheid beperkt mag worden, door bijvoorbeeld een gedeelte te bebouwen. De omstandigheid dat uitoefening van de erfdienstbaarheid – mogelijk – ook op een kleiner, beperkter gedeelte van het dienende erf zonder verlies van genot voor het heersende erf kan worden uitgeoefend, maakt dit niet anders.

Het verleggingsrecht bij een erfdienstbaarheid hielp de perceelseigenaar dus in dit geval niet bij zijn wens om een garage te bouwen.

 

Benieuwd wat ik voor u kan doen?