06 12 92 86 37 hamming@juistjust.nl

De wet kent in het burenrecht diverse bepalingen waarin het begrip boom of heester voorkomt. Onder andere in artikel 5:42 BW, waarin de zogenaamde verboden afstand van bomen en heesters tot de erfgrens is opgenomen. Gek genoeg worden die begrippen ‘boom’ en ‘heester’ in de wet niet nader gedefinieerd. Vooral bij coniferen levert dit vaak een discussie op.

Wanneer een boom?

De kwestie of iets (in dit geval een conifeer) een boom was, werd door de rechtbank Haarlem in een vonnis uit 2010 beoordeeld. De rechtbank oordeelde aldaar dat de coniferen vanwege de beperkte omvang van de stam in dit geval geen bomen, maar als heesters of heggen moesten worden aangemerkt.

4.3. […gedaagden] stellen zich op het standpunt dat nu de wet zelf geen definitie geeft een boom, in dit geval de in artikel 1 van de Bomenverordening gegeven definitie gevolgd moet worden. Volgens deze definitie is sprake van een boom als de dwarsdoorsnede van de stam minimaal 20 centimeter bedraagt. [gedaagden] stellen dat de dwarsdoorsneden van de stammen van de coniferen in hun tuin hooguit 9 centimeter bedragen, zodat de coniferen niet kunnen worden gekwalificeerd als boom.

4.4. [eiseres] stelt echter dat de gemeente Haarlem niet de bevoegdheid heeft om een definitie te geven van een boom, nu de gemeente in artikel 5:42 BW alleen de bevoegdheid is gegeven om de toegestane afstanden tot de grenslijn te bepalen. De wetgever heeft het klaarblijkelijk aan de rechtspraak over willen laten om te bepalen wanneer sprake is van een boom. In het merendeel van de uitspraken wordt aan de hand van de hoogte vastgesteld of sprake is van een boom en niet aan de hand van de dikte van de stam. Uitgaande van de hoogte moeten de coniferen in de tuin van [gedaagden] worden gekwalificeerd als boom, aldus [eiseres].

Dikte van stam op hoogte van 1,3 meter doorslaggevend volgens Bomenverordening

Ook het hof ’s-Hertogenbosch oordeelde in een arrest van 2013 over de vraag of iets een boom, dan wel heester of heg was. Het hof besloot daar:

4.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de in artikel 1 van de Bomenverordening gegeven definitie van een boom niet in strijd komt met de bevoegdheden die de wetgever de gemeente in artikel 5:42 BW heeft gegeven, nu het mandaat het de gemeente mogelijk maakt om zowel de toegestane afstanden voor bomen als voor heesters en heggen te verkleinen tot nihil, waardoor de werking geheel aan artikel 5:42 BW kan worden ontnomen. Op grond hiervan moet het de gemeente ook zijn toegestaan in een verordening minder vergaande bepalingen dan nihilstelling op te nemen door op basis van eigen definities onderscheid te maken tussen bomen, heesters en heggen en daarvoor verschillende afstanden te bepalen.

4.6. Vorenstaande brengt mee dat in dit geval de in de Bomenverordening gegeven definitie moet worden toegepast. Nu ter zitting door [eiseres] niet is betwist dat de dwarsdoorsneden van de stammen van de coniferen minder dan 20 centimeter bedragen, moet ervan worden uitgegaan dat de coniferen in dit geval geen bomen zijn, maar heesters dan wel heggen. Hiervoor geldt op grond van de Bomenverordening geen afstandsbeperking en derhalve ook geen hoogtebeperking als bedoeld in artikel 5:42 lid 3 BW. Van een onrechtmatige situatie is dan ook geen sprake.

Het hof stelt voorop dat in de wet geen criterium wordt gegeven van het begrip boom, heester of heg. De deskundige heeft tijdens de plaatsopneming vastgesteld en ook in zijn rapport vastgelegd dat in de APV 2010 evenals in het Model Bomenverordening 2007 een boom wordt gedefinieerd als “een houtig opgaand gewas, zowel levend als afgestorven, met een dwarsdoorsnede van minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam.”

Het hof nam deze definitie over en baseerde zijn oordeel verder ook daarop. Opgemerkt moet worden dat in deze zaak de procederende partijen geen bezwaar hadden gemaakt tegen overname van deze definitie.

Conifeerbomen mits afgetopt tot 2,25 mochten blijven staan

In een zaak waarin verwijdering van coniferen ex artikel 5:42 BW werd gevorderd, wees het hof ‘s-Hertogenbosch in een in de NJ 1994, 201 gepubliceerde uitspraak die vordering af, maar oordeelde dat de conifeerbomen, mits afgetopt tot een hoogte van slechts 2,25 meter, binnen de verboden afstand van 2 meter aanwezig mochten blijven.

4.15 Het hof stelt voorop dat nu de coniferen (hoog opschietende) bomen zijn, die binnen twee meter van de erfgrens staan, deze zowel naar oud als naar nieuw recht in beginsel verwijderd dienen te worden. De redelijkheid en billijkheid zouden naar het oordeel van het hof slechts dan aan een vordering tot die verwijdering in de weg staan, voorzover deze vordering mede betrekking heeft op coniferen met een zodanige hoogte dat deze een op zichzelf ter plaatse toelaatbare heg vormen.

4.16 Omtrent de vraag bij welke hoogte van de coniferen dit zich zou voordoen overweegt het hof het volgende.

Art. 49 Boek 5 BW (nieuw) staat in het algemeen een scheidsmuur van 2.00 meter hoogte toe en art. 42 lid 3 Boek 5 BW (nieuw) laat heggen tot de hoogte van de scheidsmuur toe.

Hieruit kan worden afgeleid dat in beginsel een heg tot een hoogte van 2.00 meter toelaatbaar is.

Ook een afweging van de daaraan verbonden voor‑ en nadelen, zoals enerzijds privacy-bescherming, voordelen van esthetische of ecologische aard, bescherming tegen de zon en anderzijds mogelijke vermindering van uitzicht, licht, water en mogelijke overlast door takken, bladeren of naalden vanuit de heg enz., leidt er toe dat ook het hof in het algemeen een hoogte van 2.00 meter voor een heg aanvaardbaar acht.

4.17 Uit de overgelegde foto’s en situatieschetsen blijkt dat het om ruime percelen gaat. De afstand tussen de westgevel van het pand van Van Erven en de grens met het perceel van Van der Linden bedraagt ongeveer 3.50 meter en de afstand tussen de gevels van de beide panden bedraagt 6.20 meter.

Gelet op deze omstandigheden vindt het hof aanleiding om ter plaatse coniferen met een lengte van 2.25 meter toe te staan, gemeten vanaf de voet van die coniferen aan de zijde van het perceel van Van der Linden.

Wanneer zijn coniferen een haag?

Hetzelfde hof ‘s-Hertogenbosch liet zich in 2016 uitdrukkelijk uit over de vraag wanneer een serie coniferen als haag aangemerkt moest worden, welke haag in beginsel binnen 50 cm van de erfgrens mag staan in plaats van 2 meter van de erfgrens. Ditmaal achtte het hof een hoogte van slechts 2 meter voor de haag toelaatbaar.

3.9.1. Bij de beantwoording van de vraag of de coniferen in dit geval een ter plaatse toelaatbare heg vormen stelt het hof het volgende voorop.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat iedere conifeer een afzonderlijke boom is. Er is geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken in de gevallen waarin men een conifeer laat groeien zoals dat in de natuurlijke aard van een conifeer besloten ligt – in het algemeen rond groeiend en beneden breder dan boven – zonder dat door (ingrijpende) snoeiwerkzaamheden beperkingen in hoogte en breedte zijn aangebracht.

Er kan echter, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, aanleiding zijn om van dit uitgangspunt af te wijken waardoor een rij van coniferen als heg zou kunnen worden beschouwd, met als gevolg dat de in artikel 5:42 BW bedoelde afstand tot de grenslijn waarbinnen het verboden is om de betreffende coniferen te hebben niet twee meter maar een halve meter bedraagt. Het hof betrekt hierbij dat het een feit van algemene bekendheid is dat (bepaalde soorten) coniferen veelvuldig als ‘haagconiferen’ te koop worden aangeboden.

In het geval (i) dicht(er dan normaal) op elkaar geplaatste coniferen (ii) deel uitmaken van een groter geheel aan coniferen, welk geheel (iii) vanaf het eerste snoeimoment zodanig wordt gesnoeid dat op den duur de afzonderlijke coniferen hun individuele karakter verliezen, kan vanaf het begin sprake zijn van een heg. Daarvoor is noodzakelijk dat de coniferen die op den duur de heg moeten gaan vormen (iv) qua hoogte op de juiste wijze worden gesnoeid (zie de hierna volgende rechtsoverweging). Indien niet wordt voldaan aan deze voorwaarden dan geldt dat de coniferen die in uitgangspunt bomen waren, bomen zijn gebleven.

3.9.2. In verband met de beantwoording van de vraag welke beperkingen aan de hoogte van de coniferen kunnen worden gesteld wil er sprake kunnen zijn van een heg, overweegt het hof het volgende.

Artikel 5:49 BW staat in het algemeen een scheidsmuur van twee meter hoogte toe en artikel 5:42 lid 3 BW laat heggen tot de hoogte van de scheidsmuur toe. Gelet hierop acht het hof in het algemeen een heg van twee meter hoogte toelaatbaar. Ook een afweging van de voor- en nadelen die aan een heg van een dergelijke hoogte kleven, zoals enerzijds onder meer privacybescherming en voordelen van esthetische aard en anderzijds onder meer de mogelijke vermindering van uitzicht en licht alsmede mogelijke overlast door takken of naalden vanuit de heg, leidt er toe dat het hof in het algemeen een hoogte van twee meter voor een heg toelaatbaar acht.

Conclusie:

Voor de vraag of een conifeer een boom of heester is, moet gekeken worden naar het Model bomenverordening en de APV van de plaatselijke gemeente, waarin er wel definities van een boom gegeven worden. Ook al is een conifeer vanwege de omvang van de stam een boom, dan mag deze volgens de uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch toch binnen de verboden afstand blijven staan, mits deze afgetopt wordt tot 2 dan wel 2,25 meter. Indien de coniferen dichter op elkaar geplant zijn dan gebruikelijk, een groot geheel vormen en gesnoeid worden zodanig dat de coniferen hun individuele karakter verliezen, wordt het als een haag beschouwd.

Mocht het perceel van de buurman noodzakelijk zijn om rooi- of snoeiwerkzaamheden uit te voeren, denk dan aan de inzet van het ladderrecht of steigerrecht.

 

Benieuwd wat ik voor u kan doen?