fbpx
06 12 92 86 37 hamming@juistjust.nl

Verjaring bij burenrecht

Er bestaan diverse vormen van verjaring. Dit artikel beperkt zich echter tot de verjaring die voor het burenrecht van toepassing is. Dit zijn:

  • de verkrijgende verjaring
  • de bevrijdende verjaring bij onroerende zaken en zakelijke rechten.

Door deze vormen van verjaring kunnen eigendomsrecht en/of zakelijke rechten worden verkregen, maar ook verloren gaan. Het kan bijvoorbeeld gaan om erfdienstbaarheden.

Verschil in termijn

De bevrijdende verjaring en de verkrijgende verjaring hebben overeenkomsten, maar ook belangrijke verschillen.

De verschillen zijn dat bij verkrijgende verjaring een verjaringstermijn van 10 jaar moet worden volgemaakt, terwijl er sprake moet zijn van ‘bezit te goeder trouw’.

Bij bevrijdende verjaring is de termijn daarentegen 20 jaar en mag de bezitter te kwader trouw zijn.

De Hoge Raad heeft echter op 24 februari 2017 een belangrijk arrest (ECLI:NL:HR:2017:309) gewezen, waardoor de verjaringstermijn bij bevrijdende verjaring in sommige gevallen in de praktijk 25 of zelfs 40 jaar is geworden.

Vereisten voor bevrijdende en verkrijgende verjaring: bezit

De overeenkomst is dat er sprake moet zijn van ‘bezit‘. Dit 5-letterige woord lijkt op het eerste gezicht een simpele betekenis te hebben, maar levert in de praktijk vaak discussies op.

Volgens artikel 3:107 BW  betekent bezit ‘het houden van iets voor jezelf’. Bezit moet worden beoordeeld naar de maatschappelijke opvattingen daarover. Bij bezit moet er sprake zijn van het direct of indirect uitoefenen van de feitelijke macht over de zaak met de pretentie van de bezitter dat hij of zij rechthebbende (eigenaar) is.

In een zaak waar ik als advocaat bij betrokken was, oordeelde de Hoge Raad in het arrest van 6 november 2009 ECLI:NL:HR:2009:BJ7836 dat het Hof Leeuwarden bezit had miskend, gezien de stellingen van de partij die verjaring claimde:

  • dat het pad reeds door zijn rechtsvoorganger was verhard en zodanig was ingericht dat het naar uiterlijke kenmerken (uitsluitend) de toegang tot en de uitweg vanuit het pand van thans [eiser] was, en ook uitsluitend als zodanig werd gebruikt (een enkele uitzondering daargelaten),
  • dat de inrichting van het pad steeds verder werd geïntensiveerd,
  • dat het pad door [eiser] en ook reeds door zijn rechtsvoorganger werd onderhouden, en dat daarop door hem en zijn rechtsvoorganger beplanting en een verharding zijn aangebracht, en
  • dat het toegangspad was afgeschermd met een hek van de naastliggende grond, waardoor het een geheel vormde met de tuin en het erf van de boerderij.

Uiteindelijk oordeelde het Gerechtshof Den Bosch dat er inderdaad sprake was van bevrijdende verjaring. En dat de kadastrale eigenaar de eigendom van een deel van het perceel had verloren.

Criteria voor bezit

Volgens de parlementaire geschiedenis bij het artikel moet bezit verder voldoen aan de drie volgende criteria:

  • voortdurend
  • openbaar
  • ondubbelzinnig

Recht van weg wordt niet snel door verjaring verkregen

Het verkrijgen van een recht van erfdienstbaarheid van weg of pad wordt in de rechtspraak zelden aangenomen. De reden hiervoor is dat het enkel en alleen gebruiken van een weg niet voortdurend is, en ook niet openbaar.

Het gebruik maken van het pad kan immers ook met toestemming geschieden. Ook kan de eigenaar van het pad dat gebruik gedogen. In de laatste beide gevallen wordt niet voldaan als iemand zich ondubbelzinnig gedraagt als rechthebbende.

Toch is het in bepaalde gevallen mogelijk dat er sprake is van verkrijging van een recht van weg. Namelijk door bevrijdende verjaring. Er moeten dan duidelijke fysieke aanwijzingen zijn, waardoor het voor buitenstaanders duidelijk is dat er eigenlijk niet anders dan een recht van weg wordt gepretendeerd. Dit is echter niet eenvoudig om aan te tonen.

 

Bezit te goeder trouw of te kwader trouw

Volgens de wet wordt goede trouw verondersteld en moet kwader trouw worden bewezen. Als dit het enige zou zijn, zou er meestal een succesvol beroep op verkrijgende verjaring gedaan kunnen worden. Maar zo eenvoudig is het niet.

Als men uit de registers van het kadaster de juiste situatie had kunnen afleiden, wordt men niet te goeder trouw geacht. Dit staat een beroep op goede trouw vaak in de weg.

Vaak denkt men hierbij dat op grond van de zogenaamde kadastrale kaarten, waaruit de juiste situatie afgeleid had kunnen worden, geen beroep op goede trouw mogelijk is. Dit is echter onjuist.

Afgezien van het feit dat het in de praktijk vaak

  • om relatief smalle stroken gaat,
  • waarvan de eigendom door de bezitter geclaimd wordt,
  • en dit vaak niet op kadastrale kaarten te zien is,

behoren die kadastrale kaarten over het algemeen ook niet tot het register. Tenzij deze toevallig als bijlage bij een notariële akte ingeschreven zijn. Maar dit is zelden het geval.

Zie daarvoor Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 mei 2013 ECLI:NL:GHARL:2013:CA0396, waar het hof goede trouw aannam op grond van de volgende overwegingen:

 

Het hof gaat er dus vanuit dat [geïntimeerden] bij gelegenheid van koop en levering geen tekening onder ogen hebben gehad waarop behalve de erfgrens ook de greppel was aangegeven. In verband met het ontbreken van een aanduiding van de greppel, is niet eenvoudig zichtbaar dat de greppel niet de erfgrens kan zijn. Wel eindigt de kadastrale grens tussen de percelen van partijen volgens de tekening (productie 3 bij conclusie van antwoord) aan de Noordwest zijde in een hoek met een andere vorm dan de greppel ter plaatse doet en [geïntimeerden] hadden dit bij een min of meer nauwgezette vergelijking van de hiervoor be-doelde schetsmatige tekening met de feitelijke situatie kúnnen opmerken. Maar zonder een bijzondere aanleiding tot twijfel over de ligging van de erfgrens, behoeft dat aan [geïntimeerden] niet te zijn opgevallen, zonder dat dit redelijkerwijs als een onzorgvuldigheid of onvoor-zichtigheid kan worden aangemerkt. In dit verband is van belang dat volgens de stellingen van [geïntimeerden], en ook volgens de getuigenverklaringen van [geïntimeerde sub 2] en [getuige 1], er ten tijde van de verkrijging van hun perceel in 1992 al langs de greppel een afrastering stond. Volgens diezelfde stellingen en verklaringen zijn de huidige hekwerken op de plaats van de oude afrastering geplaatst. [appellanten] hebben een en ander niet behoorlijk betwist. Bij memorie van grieven onder 16 en 18 suggereren [appellanten] weliswaar dat sprake was van weiland zonder zichtbare kenmerken van een erfafscheiding, maar in het licht van de bedoelde stellingen en getuigenverklaringen behoefde die suggestie motivering, die ontbreekt. In verband met de aanwezigheid vóór 1992 van een afrastering langs de greppel, is de situatie wezenlijk anders dan wanneer aanvankelijk geen duidelijke gebruiksgrens aanwezig zou zijn geweest en [geïntimeerden] die gebruiksgrens zelf zouden hebben bepaald door het (voor het eerst) plaatsen van een hekwerk of andere grensaanduiding.

 

Benieuwd wat ik voor u kan doen?