06 12 92 86 37 hamming@juistjust.nl

Wijziging op vordering dienend erf

Opheffing of wijziging op vordering van de eigenaar van het dienende erf

 

Artikel 5:78 BW geeft de eigenaar van het dienende erf de mogelijkheid om in bepaalde gevallen bij de rechter te eisen dat deze de erfdienstbaarheid zal opheffen of wijzigen. Dit kan op de a-grond en de b-grond.

Bij de a-grond moet er sprake zijn ‘van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd’.

Bij erfdienstbaarheden ontstaan vóór 1 januari 1992 geldt dat als gevolg van artikel 165 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, de erfdienstbaarheid niet op grond van dit artikel kan worden opgeheven. Welk kan deze worden gewijzigd, doch de rechter mag geen rekening met feiten en omstandigheden die zich reeds voor 1 januari 1992 hebben voorgedaan. Bij oude erfdienstbaarheden zijn dus alleen feiten en nieuwe omstandigheden van na 31 december 1992 relevant voor een mogelijke wijziging.

Maar die omstandigheden moeten dus wel ‘onvoorzien’ zijn. Wat zijn dat nu precies? En wat betekent het begrip ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid’?

Het vereiste dat de omstandigheden ‘onvoorzien’ zijn, betekent dat partijen bij de vestiging van de erfdienstbaarheid de omstandigheid niet uitdrukkelijk of stilzwijgend hebben verdisconteerd. Hebben zij dat echter wel, dan kan de erfdienstbaarheid dus niet op die grond gewijzigd of opgeheven worden, ook niet als de partijen de gevolgen van die omstandigheden verkeerd hebben ingeschat. Zie daarvoor het advies van AG Rank-Berenschot aan de Hoge Raad d.d. 12 mei 2017 met een helder overzicht.

Uit uitspraken van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat, als in de wet de woorden ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid’ worden gebruikt, de rechter deze bevoegdheid zeer terughoudend moet toepassen. Hij grijpt namelijk in, in een situatie die partijen (of hun rechtsvoorgangers) bewust in het leven hebben geroepen en dient daarbij de nodige terughoudendheid te betrachten.

Blijkens jurisprudentie en wetsgeschiedenis moet bij onvoorziene omstandigheden vooral gedacht worden aan een wijziging van bestemming van het heersend erf, waardoor de erfdienstbaarheid zwaarder drukt op het dienende erf dan voorheen bij de vestiging daarvan viel te verwachten.

Van zo’n verzwaring is volgens de rechtbank Rotterdam  21-02-2018 in elk geval géén sprake als de erfdienstbaarheid oorspronkelijk was gevestigd ten behoeve van meerdere heersende percelen, die thans in één hand zijn gekomen en waarop de eigenaar drie verschillende woningen wenst te bouwen. Evenmin was daar sprake van bij de vervanging van de ene detailhandel door een andere, die weliswaar een iets groter verkeersstroom met zich mee kon brengen, omdat er een hek was weggehaald.

Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 30-10-2018 vond dat, mede omdat er geen enkele beperking omtrent de verkeersstroom in de vestigingsakte was opgenomen, geen relevante verzwaring van het recht van weg met zich meebrengen. Evenmin het (deels) omtoveren van een agrarisch bedrijf tot zorgboerderij (met slechts 2 cliënten), waarvan het hof Arnhem-Leeuwarden op 28-02-2019 vond dat het exploiteren van de zorgboerderij niet wezenlijk verschilt van het met enige regelmaat ontvangen van bezoek – waaraan het bestaan van de erfdienstbaarheid niet in de weg staat – en dat het bestaan van de zorgboerderij niet kan worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 5.78 onder a BW.’

Ook het vervoer van overledenen, in plaats van verkeer naar een achtergelegen school, is volgens de rechtbank Rotterdam 20-06-2018 onvoldoende om toepassing te geven aan artikel 5:78 BW. Weliswaar is er sprake van een verzwaring in de vorm van een onvoorziene omstandigheid, maar niet één die betekent dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het niet van de eigenaar van het dienend erf gevergd kon worden dat de erfdienstbaarheid ongewijzigd in stand zou blijven.

Uit het advies van AG De Vries Lentsch-Kostense d.d. 25 november 2005 aan de Hoge Raad blijkt dat het Hof Amsterdam wel vond dat het omturnen van een agrarisch bedrijf in een camping tot een aanzienlijk zwaardere belasting van het dienend erf zou leiden, zodat het hof een verklaring voor recht afgaf dat de erfdienstbaarheid van weg alleen ten behoeve van landbouwverkeer mocht worden gebruikt.

Bovendien moet, zo onderschrijft het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2018 een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam: ‘Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden, […]dat bij een algemeen geformuleerde, niet nader geclausuleerde erfdienstbaarheid als de onderhavige een zekere verandering in het gebruik verdisconteerd moet worden geacht.’ zodat dit niet snel als een onvoorziene omstandigheid geldt. A contrario geredeneerd zal bij een sterk geclausuleerde erfdienstbaarheid dus sneller sprake zijn van onvoorziene omstandigheden.

Bij de b-grond gelden er twee cumulatieve voorwaarden:

  1. Er zijn ten minste 20  jaren verlopen na het ontstaan van de erfdienstbaarheid
  2.  ‘het ongewijzigd voortbestaan van de erfdienstbaarheid in strijd is met het algemeen belang’.

Volgens de wetsgeschiedenis moet dan vooral gedacht worden aan agrarische erfdienstbaarheden die toenemende verstedelijking in de weg staan. Volgens de b-grond kunnen die erfdienstbaarheden dan toch opgegeven worden, ook al heeft de rechthebbende nog steeds een belang.

 

In HR 15-12-1995 (niet  inhoudelijk op www.rechtspraak.nl gepubliceerd), werd zo’n vordering door de rechtbank toegewezen, omdat de gemeente Venlo bevestigd had dat een verlegging van de erfdienstbaarheid stedenbouwkundig gewenst was. Toen de erfdienstbaarheid in 1950 gevestigd was, lagen de betrokken percelen nog in agrarisch gebied.

Ten tijde van de vordering tot opheffing/wijziging waren er echter ruim 20 jaren verstreken en lagen de percelen inmiddels binnen de bebouwde kom van Venlo. Op grond van een belangenafweging oordeelden rechtbank en hof dat de erfdienstbaarheid op basis van de b-grond gewijzigd (verlegd) kon worden.

Verder is het goed om te weten dat de rechter alle vorderingen zoals hiervoor bedoeld ex artikel 5:81 BW kan toewijzen onder door hem te stellen voorwaarden. Dat kunnen ook financiële voorwaarden zijn, zie rechtbank Leeuwarden van 06-01-2010.

 

Benieuwd wat ik voor u kan doen?